Salvador

Reisgids

Beste reistijd

Foto's

Praktisch

Salvador image

High but not dry in the Brasilian sky

Salvador
Brazilië
Lione Kolsteren

High but not dry in the Brasilian sky

Op een regenachtige grijze middag in augustus dwalen mijn gedachten af naar weg. Ver weg, op weg, onderweg. Naar mooie bestemmingen. Paradijselijke tropische eilandjes. Ilha de Tinaré is er zo een. Maar ook in het paradijs kan het aardig spoken. Tropen en vocht, ze horen bij elkaar en kunnen niet zonder elkaar.

Ilha de Tinharé heeft alles in zich om zich te kwalificeren als tropisch paradijs. Een ansichtkaart, wuivende palmen, kilometers lange, brede bijna verlaten stranden, rust, relaxen. Life in slow motion. Je kunt van mening verschillen over waar een tropisch paradijs aan moet voldoen om zo door het leven te kunnen gaan, en of een paradijs wel kan bestaan. Tinharé zal niemand meer doen denken dat je een droomeiland alleen maar op de sets van Hollywood zult vinden. De aanblik die je hebt als je met het bootje vanaf de kustplaats Valenca dit eiland nadert, is fascinerend, overweldigend. Tinhare heeft alles wat vooral de backpacker tevreden kan stellen. Moro de Sao Paulo is het dorp dat hier ligt, een lange straat bedekt met zand, met aan weerszijden winkeltjes, hostels, restaurants. Aan het einde van de straat beginnen de eindeloos lange stranden. Verkeer mag niet, alles wordt vervoerd met karren, voortgetrokken door ezeltjes.

De laatste dag van ons verblijf begint zwaar bewolkt. Over een uurtje zouden we eigenlijk moeten vertrekken. Het is zes uur rijden vanaf Valenca, op het vaste land, naar Salvador de Bahia. Daar staat ons vliegtuig naar Amsterdam klaar. We horen bij toeval dat er een oude piloot is die ons voor een schappelijk prijsje naar Salvador kan vliegen. Dat scheelt bijna zes uren reizen, en dus zes paradijselijke uren méér! De deal is snel gemaakt. 50 dollar voor een vlucht van slechts 20 minuten.

We besluiten naar het strand te gaan, maar al snel begint het te regenen. Een buitje, moet kunnen. Tropische buien zijn hevig, maar toch kort? Maar we hebben hier, zo blijkt, te maken met een Braziliaans regenfront. En die zijn berucht. Het komt nauwelijks van zijn plaats, het is omvangrijk en de hemelsluizen gaan maximaal open. Tja, dan maar wachten totdat ons toestelletje zal vertrekken. Nog wat bij onze lodge in de hangmat liggen. Onder het afdak kijken naar een watergordijn, dat gesloten is en niet meer open lijkt te gaan. En dan moeten we echt naar het vliegveld. Een trapveldje, even buiten het dorp.

Plaatselijke sterke mannen bieden zich aan om onze bagage te dragen. Met onze tassen op hun hoofd lopen ze voorop; wij er achteraan. De schoenen en sokken moeten uit. We waden door het water, dat tot ver boven onze enkels reikt. De dorpsstraat is veranderd in een modderstroom die zich in kleine stroompjes vertakt, zich woest een uitweg zoekend naar het laagste punt. De straat staat inmiddels blank en het is lastig lopen hier. Onder het water bevinden zich overal stenen en stukjes rots. De locals lopen, ondanks hun stevige last op de schouders, flink door en wij rennen, wij ploeteren er achter aan. De Iguazu Falls dalen op ons neer, zo lijkt het wel. En dan komen we bij het trapveldje. Stukken gras, onderbroken door kale stukken en kuilen, die zich snel vullen met regenwater. Moet hier een vliegtuig landen? Even later komt het kleine toestelletje aanscheren en tot onze verbazing weet hij te landen.

Het toestel is zo klein, dat het in een groot uitgevallen Hollandse huiskamer moet passen. Met zijn vijven proberen we er in te kruipen. We zijn geen Houdini, maar op de een of andere manier lukt het. We zitten boven op elkaar in een kromme bochtige houding. Als de oude man het toestel start denk ik aan onze afhankelijkheid van deze man. Hij moet niets krijgen onderweg. Je hoort het wel eens: piloot wordt onwel, maar dappere passagier zet het toestel veilig aan de grond. Voor zover ik mijn hoofd kan draaien, bekijk ik het instrumentenpaneel en volg nauwgezet welke knoppen de man indrukt en aan welke handels hij trekt. Je weet maar nooit…… Held moet je één keer in je leven toch kunnen zijn.

We vliegen op 800 meter hoogte en zien het groene (nu: grijze) Tinahare onder ons verdwijnen. In de verte een extra donkere wolkenpartij. Bliksemflitsen, slagregens. Daar vliegt hij gewoon omheen, zeg ik tegen Lione, die kijkt alsof zij haar laatste uur gaat meemaken. En zo’n gekke gedachte is dat niet. De piloot vliegt er niet omheen, maar gaat gewoon recht door. Alles wordt zwart. Het toestel schommelt, zwaait, zwiert, trilt, rilt, schudt, draait, ronkt en bromt. “Ik kan het, ik kan het” hoor ik ons dappere vliegtuigje met een angstig piepstemmetje zeggen.

Ik vraag me tegen beter weten in af, of je bij een vrije val van 800 meter nog wel kans hebt. Wat is erger: van 7 km naar beneden, van 800 meter of vanaf 20 meter. Het is wel overzichtelijk, die 800 meter. Gedachten die de opkomende angst moeten onderdrukken. We zien de kust, voor zover die te zien valt, ons onder voorbij glijden. Daar komt Salvador in zicht. De twintig minuten moeten al eigenlijk voorbij zijn. Ik kijk op mijn horloge, 11 minuten pas. Schattingen maken blijft moeilijk…..

En dan staan we toch aan de grond op het kleine bij-vliegveldje van Salvador. De grote reus gaat vanaf hier ons terugvliegen naar Amsterdam. Bij het uitstappen klop ik dit dappere vliegtuigje op zijn romp. “Goed gedaan, jochie!” 50 dollar voor 6 uur extra. Dat is nog geen tientje voor ieder avont-uur. Ik heb toch wel eens meer betaald en veel minder gekregen. Opgelucht gaan we op weg naar de vertrekhal. We hebben het overleefd. Geen laatste reis, de volgende kan gelukkig gepland worden. Maar eerst een paar capirinha’s zien te scoren…..