Madrid

Reisgids

Beste reistijd

Foto's

Praktisch

Madrid image

Hoe Kojak ons liet meeliften

Madrid
Spanje
Anneeke

Hoe Kojak ons liet meeliften


Het was een van onze betere plannen: liften naar Madrid. Niet vanuit Nederland natuurlijk, want dat hadden we al eens zonder succes geprobeerd. Volgens Jaap lag dat aan mij. Met mij kwam je gegarandeerd niet weg. Hij had daar verregaande theorieën over, alle gebaseerd op één futiel voorval. Zijn hele leven was hij overal naar toe gelift. Alleen of met andere mannen. En zeg nou zelf wie neemt er nu mannen mee? Maar die ene keer, met mij naar Spanje, strandden we in Dordrecht. Ergo, het lag aan mij.

Volgens diezelfde logica had ik hem voor de voeten kunnen werpen dat het aan hem lag. Immers toen ik het jaar daarvoor met een vriendin naar Parijs was gelift, stonden wij binnen 5 uur op de Champs -Élysée. En dat had nog sneller gekund als we niet ieder uur uit een rijdende auto hadden moeten springen om aan een handtastelijke bestuurder te ontkomen.

Toen wij besloten samen naar Spanje te liften, konden wij kortom niet bevroeden dat dit geen kans van slagen had. Het PLAN, zoals de meeste van onze meer briljante plannen, vond zijn oorsprong in Chileense wijn. Zurige bocht die bij voldoende inname, glans verleende aan obscure dromen. In dit geval terugkeer naar onze studentenstad Salamanca.

Wij vertrokken in alle vroegte naar Rotterdam en lieten ons bij een oprit buiten de havenstad afzetten. Acht uur later stonden we daar nog.

’s Avonds besloten we een girocheque in te wisselen, de eerste in een lange rij. Van het geld namen we de trein naar Breda. In een etablissement van de derde categorie zaten we de nacht uit. Naast ons aan de bar een paar mannen die zo te zien al jaren geleden de brui aan het liften hadden gegeven. Stoïcijns beweerden ze dat de makkelijkste manier om in Spanje te komen met de tram was.

In Antwerpen hadden we moeten stoppen. Ons verlies moeten nemen. Maar realisme tekent niet onze karakters. We wisselden een tweede cheque.

Misschien waren de Fransen makkelijker, misschien was het de zon? Wie zal het zeggen? We kregen uiteindelijk een lift tot vlak voor Irún. Lopend overschreden we de grens met Spanje. Daar stokte ook het financiële geluk. Nergens konden we geld wisselen. We overwogen de opties: stelen of zwartrijden. We kozen voor het laatste en doken de enige trein westwaarts in.

We waren net vertrokken toen Kojak de coupé in kwam. Hij droeg het uniform van de Spaanse spoorwegen. Deze Kojak grijnsde echter niet toen hij ons probleem vernam en draaide ook geen lolly in z’n mond rond. We legden uit dat we wel wilden betalen maar niet konden. Je zag zijn worsteling: “Ik kan de trein laten stoppen en ze er uit gooien. Niemand die me dat kwalijk neemt. Probleem is alleen dat het Guiris zijn en daar wil je geen problemen mee. Al is het maar vanwege de taal. De trein stopt maar één keer. Over twee uur in Medina del Campo. En zelfs eens buitenlander gooi je er in Medina niet uit.”

Dus blafte hij: “In Salamanca eruit. Ik bel de politie. Jullie gaan onder begeleiding geld halen. Begrepen?” Wij begrepen het helemaal. Wat we niet begrepen was waarom we negen uur later in Salamanca geen politie zagen en waarom Kojak zich niet liet zien zodat wij niemand ons geld konden geven.

En nu gingen we weer liften. Van Salamanca naar Madrid. Ik zou niet durven beweren dat het aan Jaap lag, maar vier uur later stonden we nog op de rotonde naar de kathedraal van Salamanca te staren. En toen kregen we een lift van een half blote man in een gestripte auto. Hij moest naar een voorstad van Madrid. Ik nam naast de man plaats.

Ik wilde me net naar Jaap omdraaien om hem er op te wijzen dat -zie je nou wel het helemaal niet aan mij lag- , toen de man naar het pakket je aan mijn voeten wees. “Wa’s dat?” “Dat? Oh dat is Leita, mijn hond.” De man trapte acuut op de rem waardoor we naar voren schoten en de hond jankend zijn kop oprichtte “Een HOND? In MIJN auto? De man stapte de auto uit en hield de kofferbak open. “Opschieten”. Het duurde even voor ik begreep dat de man de pup in de kofferbak wilde opsluiten.” “Geen sprake van”, riep ik op mijn beurt. “Straks stikt ie.” “Beter”, siste de man, terwijl hij hardop zei: of die hond de kofferbak in of de reis eindigt hier.”

Even later liepen we een stoffig grindpad op naar het dichtstbijzijnde dorp. Een lelijk lint van vervallen huisjes en grijze varkenskotten. In een café op de Plaza klommen we op een barkruk. De man achter de toog keek ons uitdrukkingsloos aan. “Hoe heet dit dorp?” “Peñaranda de Bracamonte”, antwoordde de man met tegenzin. “ Mooie naam.” “Da’s ook het enige dat er mooi aan is”, was het antwoord.

We liepen een rondje over de verlaten Plaza toen een oude man met een alpinopet ons aansprak. Leunend op een stok vroeg hij: “Zoeken jullie iets?” “Nee hoor, we willen het dorp bekijken”. De man krabde langdurig aan zijn hoofd voordat hij zei: “Er is hier niks. De enige keer dat hier wat was, was meteen de laatste keer. Dat was in 1939. Toen ontplofte het munitiedepot en verminkte en doodde een groot deel van de inwoners.

Sindsdien heten we ‘verwoest gebied’. Hier komt niemand. De enige beroemdheid die we voortbrachten, was een uitvinder van verbindingstukjes voor brandslangen.” De man grijnsde om de ironie. Langzaam leunde hij voorover zodat ik zijn adem kon ruiken. “Als ik je een advies mag geven: zoek een lift en keer terug naar waar je vandaan komt.”