Dogonland

Reisgids

Beste reistijd

Foto's

Praktisch

Dogonland image

Dogonland

Dogonland
Mali
Feije

A little help from my friends

De Dogon, bewoners van het centrale plateau van Mali, hebben het zichzelf niet makkelijk gemaakt. Ze hebben hun lemen huizen gebouwd tegen de honderden meters hoge klif van Bandiagara, op het rotspuin dat daar in de loop der millennia naar beneden is gekomen. Ooit was dat nodig om aan de vele locale koningen en keizers te ontsnappen die West-Afrika afgraasden op zoek naar slaven, maar heden ten dage zijn die vijanden er niet meer. Desondanks zijn de Dogon niet verhuist, en dus is het leven hard hier.

Dat wordt meteen duidelijk wanneer je vanuit Bamako na een tweedaagse autotocht, waarvan de laatste uren door volstrekt onherbergzaam terrein, hun leefgebied binnenkomt. Het is bloedheet – rond de 45 graden - als ik arriveer. Nog geen halve dag later steekt er een zandstorm op van apocalyptische allure. Eerst wordt de horizon bloedrood, waarna ik binnen enkele minuten geen hand voor ogen meer kan zien. Als de deken van zand eindelijk voorbij is getrokken, en ik het fijne woestijnzand uit ogen, oren en camera poog te verwijderen, volgt een regenbui van niet minder oud-testamentische proporties. Tel bij dat extreme klimaat de relatieve onvruchtbaarheid van de bodem op, en de volmaakte isolatie van de rest van de wereld, en je realiseert je: hier hebben de mensen elkaar nodig om het leven enigszins leefbaar te maken.

Je hoeft geen antropoloog te zijn om te begrijpen dat mensen die sterk afhankelijk van elkaar zijn, die elkaar iedere dag weer nodig hebben om te overleven, in hun cultuur elementen hebben ingebouwd om de onderlinge harmonie te bewaren en versterken. Omgekeerd kun je trouwens ook waarnemen dat in samenlevingen waarin de bewoners een sterke mate van onafhankelijkheid kennen, vriendelijkheid een steeds zeldzamer goed wordt.

De Dogon behoren tot de eerste categorie. Hun cultuur is doordesemt van de rituelen en gebruiken die er op zijn gericht steeds opnieuw aan elkaar te laten zien hoezeer ze elkaar waarderen. Zo kennen ze een ontroerend ritueel waarin de ouderen de jongeren prijzen, waarna de jongeren op hun beurt de ouderen omstandig prijzen. Vervolgens spreken de mannen mooie woorden over de vrouwen, en vice versa. Dat besef van diepe wederzijdse afhankelijkheid komt terug in meer Dogon-rituelen. Bijvoorbeeld hun onwaarschijnlijk uitgebreide begroetingsritueel, wanneer twee Dogon elkaar op straat tegenkomen. De persoon die begint, vraagt de ander naar diens gezondheid. En naar die van zijn vrouw. Maar ook naar z'n zoon, dochter, zus, broer, buurman, buurvrouw, vader, moeder, neven, nichten en zelfs naar de gesteldheid van z’n geiten of kippen. De ander zal, ongeacht de situatie, altijd antwoorden met 'Sewa', oftewel: 'Uitstekend'. Ook als z'n vrouw in werkelijkheid heel ziek is, of het huis van de buurman zojuist is ingestort. Daarna is het de beurt aan de ander, waarbij het ritueel zich op volkomen identieke wijze herhaalt. Zo bevestigen de Dogon elkaar dagelijks dat ze sterk bij elkaar betrokken zijn. Het is een mooie, en is onze gehaaste ogen ook bijzonder geestige gewoonte, die een wandelingetje naar de rivier tot een langdurige aangelegenheid kan maken.

Op mijn weg terug naar de hoofdstad, ondervind ik dat die menselijke loyaliteit niet is voorbehouden aan stam- of zelfs maar landgenoten. De huurauto met chauffeur – een 4x4 volgens de verhuurder in Bamako – blijkt toch slechts tweewielaandrijving te hebben, en na twintig minuten rijden zitten we muur- en muurvast in het mulle zand. De ondoordachte pogingen van de chauffeur – een stadsjongen uit Bamako, bekent ie nu pas, die nog nooit buiten de stadsgrenzen een auto heeft bestuurd – maken de situatie alleen maar erger. De thermometer kruipt richting de 50, er is in geen velden of wegen iets anders te zien dan zand en rotsen, en het linkerachterwiel is inmiddels onzichtbaar geworden. Oei.

Maar dan verschijnt, als uit het niets, ineens de man die ik herken als degene die ons daags daarvoor nog de toekomst had voorspeld, door een handvol schelpen te werpen. Vanachter een rotspartij komen nog twee mannen aanlopen, en na drie keer knipperen met mijn ogen staan er meer dan twintig Dogon aan de auto te sleuren en te trekken, te graven en te stutten. Zonder veel resultaat trouwens.

Iemand zegt iemand te kennen die iemand kent die ijzeren rijplaten heeft, daarmee zijn we er zo uit, zegt-ie. Te voet gaat hij op weg. In zijn afwezigheid strandt iedere verdere poging de wagen te bevrijden. Het duurt twee uur, maar dan keert onze held terug, met onder z’n armen twee loodzware stukken ijzer. Dat is nog eens een work-out geweest, bij deze temperaturen.

De rijplaten bieden wonder boven wonder inderdaad uitkomst, de auto staat al snel weer op vaste grond. Maar daarmee is de behulpzaamheid van de Dogon nog niet ten einde. Ze drukken ons op het hart de platen - die hier een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen - vooral mee te nemen, voor het geval we verderop weer vast komen te zitten. Of we ze achter willen laten bij een cafe in Savare, dan komen ze wel terug. Hun vertrouwen is eindeloos en onvoorwaardelijk.
Het drinkgeld dat ik aanbied – Dogon zijn dol op hun zelfgebrouwen bier – wordt met luid gejuich ontvangen. Onze redders blijven zwaaien tot we niet meer dan een stipje aan de Malinese horizon zijn.