Nijlvallei

Reisgids

Beste reistijd

Foto's

Praktisch

Nijlvallei image

Nijlvallei

Nijlvallei
Egypte
Liselore74

Vaderloos in Egypte

De ondergaande zon hult het woelige water van de Nijl in warme tinten. Aan de overkant van de rivier herken ik de tempel van Luxor en de omliggende huizen en hotels, die in de avondschemer een zachtere indruk maken. De drukte van de stad is ver weg en haast onzichtbaar vanaf de westoever van de Nijl, waar haast niemand woont. De zon gaat ten slotte in het westen onder, en hier in Luxor associëren ze dat met de dood. En wie wil er nu aan de dode kant van de Nijl wonen?
De palmbomen werpen hun lange schaduwen op het stoffige pad voor me. Ik probeer me aan het loopritme van mijn kameel aan te passen, maar heb daar de grootste moeite mee omdat hij klaarblijkelijk helemaal geen zin heeft om met mij op zijn rug rond te lopen. De kameel laat uiteindelijk een lange klagende brul en neemt vervolgens het besluit om geen stap meer te verzetten.
‘This is a very stubborn camel, miss,’ grinnikt de Egyptische kamelenbegeleider verontschuldigend, waarna hij het protesterende dier weer een stukje vooruit probeert te trekken. Er volgt een nieuwe brul van de kameel en opnieuw maak ik een schuddende vooruitgang, om na een paar passen weer tot stilstand te komen. De Egyptenaar heeft er nu duidelijk genoeg van en begint in een onverstaanbare taal luidkeels tegen de kameel te vloeken. Dit heeft duidelijk resultaat. De kameel laat een paar chagrijnige snuiven en begint daarna in volle snelheid een heuveltje af te rennen. Opeens moet ik me stevig vasthouden om niet van het zitje op zijn rug af te vallen. Meteen hierna staat het dier weer tevreden stil om wat droog gras van de grond te plukken.
Ik zie mijn kans vrij om een foto te maken van mijn vriend die op zijn rustigere kameel inmiddels een stuk verder het pad op is gelopen.
‘Is that your husband, miss?’ vraagt de Egyptenaar als hij me naar Rens ziet zwaaien.
‘No, he’s my boyfriend,’ antwoord ik terwijl ik een foto maak.
‘So you are not married?’ kreunt de man terwijl hij de kameel weer vooruit begint te trekken.
‘No, I’m not married,’ antwoord ik geduldig, hopend dat er geen huwelijksaanzoek op gaat volgen.
‘Then where is your father, miss?’ is de volgende, enigszins bezorgde, vraag.
‘He’s in Holland,’ zeg ik verbaasd, niet begrijpend waarom hij zich afvraagt waar mijn vader is.
‘But it’s not safe for you to travel alone, miss,’ is zijn verontruste advies.
‘I’m not alone, I’m with my boyfriend,’ vertel ik hem, ergens wetend dat dit weinig overtuigingskracht zal hebben.
‘But you are without a husband and without a father…’mompelt hij ten einde raad. Ik zie hoe hij zijn rug recht en met beschermende houding voor de kameel gaat lopen. Er worden wat Arabisch klinkende woorden naar de andere kamelenbegeleiders geroepen, die me vervolgens allemaal een vreemde blik toewerpen. Ik voel me plotseling een stokoude vrijster van 23 jaar oud.
Het is middag en de boot vaart verder over de Nijl. Ik zit op het terras aan dek en heb een boek open op mijn schoot liggen, maar ik heb nog geen regel gelezen. Aan de oever zie ik honderden prachtige palmbomen en kleine dorpjes van kleihuizen aan me voorbij trekken. Kinderen zwemmen in de rivier en zwaaien uitbundig naar onze boot, net zoals de vrouwen die aan de oever de was aan het doen zijn. Rens zit al een kwartier op het toilet in onze hut als ik nog maar een koud colaatje bestel.
De bestelling wordt met een beleefde knik geaccepteerd, en binnen een paar seconden zet de ober een koud flesje voor mijn neus. Ik zie hem alleen twijfelachtig om zich heen kijken als hij het papiertje, waarop de handtekening voor het drankje gezet moet worden, hoort te overhandigen. Ik strek echter nietsvermoedend mijn hand uit en neem het papier van hem aan. Ik teken op de stippellijn en geef het bonnetje terug aan de ober, die het papiertje bekijkt alsof het ieder moment spontaan in vlammen op kan gaan. Hij doet zijn mond open, maar besluit om toch maar niets te zeggen en verdwijnt weer. Ik neem een slok en leg het boek gesloten op tafel. De oever van de Nijl is uiteindelijk toch spannender.
Een moment later schrik ik op van een tikje op mijn schouder. Een oudere, Nederlandse man komt bij mijn tafeltje staan.
‘Sorry dat ik stoor, maar ik denk, ik meld het toch maar even,’ zegt hij verontschuldigend. ‘Ik heb er echt absoluut geen last van hoor, maar ik vind toch dat je het moet weten. Ik denk dat je er zelf niets van hebt gemerkt, maar iedere keer als jij een handtekening op een bonnetje zet, laat het bootpersoneel het bonnetje ter goedkeuring aan mij zien,’ vertelt hij opgelaten. ‘Ik heb het vermoeden dat ze denken dat ik je vader ben,’ voegt hij er schamper aan toe terwijl ik me haast in mijn cola verslik van de lol. Als Rens terug is van zijn diarreeaanval vertel ik hem met de grootste pret dat de jongens op de boot bij gebrek aan de aanwezigheid van mijn man of vader, me maar een willekeurige vader toe hebben gewezen.
Staande aan de voet van de grootste piramide van de drie piramides van Gizeh, voel ik me plotseling erg klein en nietsbetekenend. Ik heb inmiddels zoveel plaatjes van die piramides gezien, ik had gedacht dat die grote bergen steen nog nauwelijks een indruk op me konden maken, maar dat had ik mis. Ik voel me een mier, niet alleen door hun omvang, maar ook door hun historie. Ik ben niemand, slechts een figurant in de geschiedenis. Over honderd jaar zal niemand nog weten wie ik was, net zoals wij niet weten wie de mensen waren die met bloed, zweet en tranen deze bouwwerken hebben gemaakt. Alleen de opdrachtgevers van de piramides hebben een plaatsje in de historie weten te veroveren.
Wegdromend bij de immense piramides heb ik nauwelijks nog oog voor de enorme drukte die er om de piramides en de sfinx heen krioelt, totdat er een groepje van vijf gesluierde meisjes mijn aandacht trekt. Aan hun giecheltjes te horen kunnen ze nauwelijks ouder dan 15 jaar zijn, maar omdat hun gezichten bijna volledig bedekt zijn kan ik het niet met zekerheid zeggen. Dodelijk verlegen durven ze me nauwelijks aan te kijken, maar ze wijzen wel veelvuldig naar me terwijl ze druk overleggen wat ze gaan doen.
Eén meisje neemt uiteindelijk het voortouw en gaat voor mijn neus staan. Mijn vragende blik ontwijkend houdt ze haar fototoestel voor mijn neus. Ik wil het toestel van haar aannemen met de mededeling dat ik natuurlijk wel even een foto van de meisjes bij de grote piramide wil maken, geen probleem. Ze horen duidelijk bij een van de vele schoolreisjes waarvan ik al een aantal bussen heb zien staan. De piramides zijn voor de Egyptenaren zelf natuurlijk ook een bezienswaardigheid, zeker als je helemaal van het platteland komt. Maar er wordt heftig nee geschud als ik het toestel wil pakken.
‘We would like a picture of you, miss,’ wordt er verlegen gefluisterd.
In de veronderstelling dat ik dat ongetwijfeld verkeerd heb verstaan, kijk ik haar verward aan.
‘We would like a picture of you, with us. You are very beautiful…’ Ik kijk vol verbazing naar de andere meisjes die bevestigend naar me knikken, en begrijp er nog steeds helemaal niets van. Waarom willen ze nu een foto van mij?
‘Ze willen met jou op de foto,’ zegt Rens grinnikend. ‘I’ll take the picture,’ zegt hij tegen het meisje met de camera en plotseling word ik omringd door alle gesluierde meisjes, die in mijn nabijheid opnieuw genadeloos beginnen te giechelen. En ik snap er nog steeds helemaal niets van. Ik ben helemaal niet ‘very beautiful’, ik ben alleen ‘very westers’, dus dat zal het wel zijn. In mijn superkorte broek, bloot shirtje en mijn lange losse haar zie ik er uit als een vrouw die deze meisjes normaal gesproken alleen maar op televisie zien. Ze hebben vast nog nooit een westerse toerist gezien, en dat is voor hen kennelijk een grotere bezienswaardigheid dan die piramides...
Die middag lopen Rens en ik door het centrum van Cairo. Het is er stoffig, benauwd en onvoorstelbaar druk. Verbaasd om ons heen kijkend proberen we de indrukken van al die moderne hoge gebouwen en smalle straatjes met marktkraampjes op ons in te laten werken, maar voordat we het weten zijn we in een van de vele drukke straatjes verdwaald. Een bus waar mensen letterlijk met hun benen buiten hangen komt voorbij stuiven en rijdt ons bijna van ons sokken. Een kakofonie van honderden verschillende toeters klinkt er om ons heen.
‘Can I help you?’ klinkt er plotseling achter ons als wij op een kruispunt proberen te bepalen waar we heen moeten. We kijken om en zien een politieman staan. Om zijn schouder bungelt nonchalant een grote mitrailleur. Rens begint uit te leggen dat we niet zo goed weten waar we zijn, terwijl ik mijn ogen nauwelijks van dat enorme wapen af kan houden. Alle politiemannen hebben er zo één, en de aanwezigheid van die dingen schijnt te helpen, want er is me vertelt dat er hier nauwelijks criminaliteit is. Ik kan me voorstellen dat je niets meer durft te doen als je zonder pardon met een stuk of dertig kogels in je rug kunt eindigen.
We krijgen in ieder geval een uitgebreide routebeschrijving en nadat we hem bedankt hebben voor zijn behulpzaamheid lopen we verder. We merken echter al snel dat de politieman achter ons aan loopt. We kijken af en toe voorzichtig om, om dan meteen te zien dat hij ons duidelijk achtervolgt.
Als ik, inmiddels behoorlijk verontrust, opnieuw achterom kijk, geeft hij me een vriendelijk knikje en komt hij dichter bij me lopen. ‘Don’t worry, miss,’ fluistert hij me in vertrouwen toe. ‘I’ll take care of you untill you are back with your father.’