Reisnieuws

De slavenhavens van Afrika

Gepubliceerd: 22 okt 2010
1

Eeuwenlang werden miljoenen Afrikanen gedwongen de Atlantische Oceaan over te steken om op plantages slavenarbeid te verrichten. Wie aan de Afrikaanse kust in hun voetsporen treedt, belandt in een wereld van claustrofobische cellen, magistrale forten en voodootempels gewijd aan reuzenslangen. De belangrijkste slavenhavens op een rijtje.

Hoofdredacteur Louise ten Have
Hoofdredacteur Louise ten Have
Het autoloze eiland Gorée, vlak voor de kust van de Senegalese hoofdstad Dakar, ligt er vredig bij. Kinderen lopen blootsvoets door de pastelkleurige straten of spelen op het kleine strand bij de halte van de veerboot. Vissers brengen op hun dooie gemak hun vangst aan wal. Het is moeilijk voor te stellen dat dit slaperige stukje Senegal bekend stond als een van de belangrijkste knooppunten in de internationale slavenhandel. Sterker nog, toen in de zestiende eeuw de eerste slaven de Atlantische Oceaan werden overgebracht, gebeurde dat vanuit Senegal. Tegenwoordig komt iedereen van Youssou N’Dour tot Bill Clinton naar Gorée om te herdenken hoe vier eeuwen lang naar schatting 12 miljoen Afrikanen op de plantages van Noord- en Zuid-Amerika en de Cariben werden afgebeuld. Het belangrijkste monument op het eiland is het Maison des Esclaves, een slavenhuis met een deur die pal aan het water ligt. Via deze beruchte Door of No Return werden, zo gaat het verhaal, de slaven op de schepen gelaten.

De werkelijkheid blijkt echter een stuk complexer. Niet Gorée, maar Gambia en het noordelijker gelegen stadje Saint Louis vormden de belangrijkste slavencentra in de regio – historisch onderzoek wijst uit dat op Gorée ‘slechts’ 26.000 ongelukkigen hun laatste blik op Afrika wierpen. Geschiedkundigen zijn het er ook over eens dat het Maison des Esclaves werd gebruikt als woonhuis en nooit heeft dienstgedaan als depot voor slaven. Sterker nog, de Door of No Return is volgens hen een fabeltje: geschiedvervalsing om toeristen binnen te halen. Niettemin vormt Gorée een prima startpunt voor iedereen die geïnteresseerd is in de slavenhandel. Het eiland was in 1444 een van de eerste plekken in Afrika die door de Europeanen zijn verkend en viel mettertijd in handen van alle koloniale grootmachten: Portugal, Engeland, Frankrijk en Nederland. Koloniale gebouwen zijn dan ook overal op het eiland terug te vinden. En hoewel de geschiedenis van het Maison des Esclaves in twijfel moet worden getrokken, maakt dat een bezoek aan het museum – met zijn claustrofobische slavencellen – niet minder indrukwekkend. Het gebouw staat symbool voor de ontberingen die álle Afrikaanse slaven hebben geleden.

Even indrukwekkend is het 170 kilometer zuidelijker gelegen James Island, een piepklein eiland midden in de brede rivier de Gambia. Omringd door baobabs en onder toeziend oog van pelikanen staan hier nog de overblijfselen van een fort dat in de zeventiende en achttiende eeuw als bolwerk van de regionale slavenhandel diende. Bewoners van het nabijgelegen dorpje Jufureh brengen je er per kano in twintig minuten naartoe. Op het eiland kochten Franse en Engelse handelaren slaven van West-Afrikaanse stammen als de Mandinka en de Wolof. Die namen tijdens stammenoorlogen hun vijanden gevangen en ruilden ze in voor spiegels, kleding, drank en wapens. Een belangrijk deel van het op waarheid gebaseerde boek Roots van Alex Haley speelt zich op het eiland af. De hoofdpersoon Kunta Kinte zou via Fort James de oversteek naar Noord-Amerika hebben gemaakt, samen met honderden andere slaven. Zijn afstammelingen schijnen nog steeds in Jufureh te wonen.

Voodoo people

selmaschwab.reisreporter.nl In de zeventiende eeuw verplaatste zich het centrum van de slavenhandel naar het zuiden en met name naar de Baai van Benin, die zich uitstrekt van Ghana in het westen tot Nigeria in het oosten. De kusten van de baai stonden in Europa tot de negentiende eeuw bekend als de Goudkust en de Slavenkust. Aan de door palmbomen omzoomde zandstranden van het huidige Ghana maakten hoofdzakelijk Portugezen, Nederlanders en Britten de dienst uit. Ze bouwden een twintigtal forten om zichzelf tegen concurrenten en opstandige Afrikanen te beschermen. Deze forten deden tegelijkertijd dienst als depots en slavenhuizen. Een van de best bewaard gebleven gebouwen is het Kasteel van Elmina, aan de baai van het gelijknamige vissersplaatsje. Meer dan 270 jaar lang hield de Nederlandse West-Indische Compagnie de touwtjes hier strak in handen. Ivoor en goud werden in enorme hoeveelheden naar Nederland verscheept terwijl duizenden slaven achter de tralies belandden, in afwachting van hun oversteek naar de plantages van Brazilië en Suriname. Het fort is inmiddels een indrukwekkend slavenmuseum. Op loopafstand ligt het fort Sint Jago, dat de Nederlanders bouwden als militair vestingwerk. Bovenop de gelijknamige heuvel heb je een mooi uitzicht over de Atlantische Oceaan en alle bedrijvigheid in de haven. Ook het zandstrand van het nabijgelegen Brenu Beach en de lagune van Elmina, waar honderden vogels overwinteren, zijn een bezoek waard.

120 kilometer verderop, in Benin, werden tussen de zeventiende en negentiende eeuw bijna een miljoen Afrikanen voornamelijk naar Brazilië verscheept. In en rondom het stoffige kustplaatsje Ouidah herinneren vervallen koloniale gebouwen en een reeks monumenten aan dit roemruchte verleden. Je kunt nog steeds de Rue des Esclaves, de Slavenstraat, volgen die de slaven liepen om bij de schepen aan het strand uit te komen. Aan het einde van de weg wordt de point of no return gemarkeerd door een poort waarop aan elkaar geketende Afrikanen staan afgebeeld. Op de route staat ook de ‘Boom der Vergetelheid’ waar alle slaven enkele keren omheen moesten lopen. Dit zou hen doen vergeten wie ze waren en waar ze vandaan kwamen, zodat ze als makke lammetjes vervoerd konden worden. Op de plantages van Brazilië deden de slaven er echter alles aan om hun Afrikaanse cultuur te behouden. Afrikaanse muziek, dans en rituelen veranderden geleidelijk in typisch Braziliaanse kunstvormen, waaronder samba, capoeira en candomblé. Candomblé is een religie die teruggrijpt naar de voodoopraktijken die gemeengoed zijn in de landen aan de Baai van Benin. De voodoogemeenschap gelooft in een almachtige god die heerst over een groot aantal andere goden en geesten van voorouders, die via dromen en trance met levenden kunnen communiceren. Veel dieren vormen de belichaming van een god en worden vereerd in tempels. fischerboxtel.reisreporter.nl Zo vind je in Ouidah de Pythontempel, een omheind complex waar (ongevaarlijke) koningspythons rondkruipen. Een andere must is de Marché des Féticheurs, de voodoomarkt waar je apenkoppen, hondenschedels en dode slangen kunt kopen als tovermiddel tegen migraine, reuma en impotentie.
Op 10 januari, Nationale Voodoo Dag, is het groot feest en begeeft zich een dansende, drummende en biddende mensenmassa naar het strand.
In Nigeria, op een half uurtje rijden van de grens met Benin, ligt aan een lagune de stad Badagry, waar driehonderd jaar lang duizenden slaven door de Portugezen werden verhandeld. Twee kleine gebouwen herinneren hieraan: het Slave Relics Museum, waar onder meer eeuwenoude slavenketenen worden bewaard, en het Seriki Faremi Williams Abass Court, een cellencomplex. Op het zanderige eiland Gberefu, vlak voor de haven van Badagry, werden de slaven door de bush naar het point of no return geleid. Tegenwoordig is Gberefu, evenals de vele andere eilandjes in de omgeving van Badagry, een heerlijke plek om op het strand te liggen en even te ontspannen.


Toen Engeland in 1808 de slavernij afschafte en in de Baai van Benin ging patrouilleren, verschoof de slavenhandel wederom naar het zuiden. Luanda, de hoofdstad van de Portugese kolonie Angola, werd de grootste doorvoerhaven voor slaven naar Brazilië, de Cariben en Noord-Amerika. De meeste bedrijvigheid vond plaats in het oude deel van de stad (Baixa de Luanda). Hier bevonden zich de meeste slavenmarkten en de katholieke kerken die de slaven moesten bekeren voordat ze verscheept werden. Veel van deze koloniale architectuur is bewaard gebleven, ondanks het massale vertrek van de Portugezen na de onafhankelijkheid van Angola in 1975 en de verwoestende burgeroorlog die hierop volgde. De meest indrukwekkende overblijfselen uit de slaventijd bevinden zich echter op een half uurtje rijden van het centrum. In het groene heuvellandschap rondom de miljoenenstad ligt het Nationale Slavernijmuseum in het dorpje Morro da Cruz. In de kapel, gebouwd op een prachtige klif die uitkijkt over de Atlantische Oceaan, werden miljoenen slaven gedoopt voordat ze de schepen onder aan het strand betraden. Ook het nabijgelegen eiland Mussulo, met zijn witte zandstranden, palmbomen en koraal, vormt een ideaal uitstapje.

Arabische sferen

De oostkust van Afrika werd eveneens zwaar getroffen door de slavenhandel. In tegenstelling tot de westkust waren hier de boosdoeners van overwegend Arabische komaf. Zij brachten tussen de zevende en negentiende eeuw na Christus naar schatting 17 miljoen Afrikanen naar Noord-Afrika, het Midden-Oosten en India. De handel werd in gang gezet door sultans, die de Afrikanen voornamelijk inzetten in hun legers en huishoudens. Vrouwen werden doorgaans gebruikt als seksslaven. De Arabieren die zich vestigden aan de Oost-Afrikaanse kust mengden zich onder de inheemse bevolking. Hieruit ontstond de unieke Swahili-cultuur, waarvan je de taal, religie en culinaire hoogstandjes nog steeds kunt proeven in Kenia, Tanzania en noordelijk Mozambique. Op veel plekken is in deze landen de Arabische invloed onmiskenbaar: voor de kust dobberen dhows en gesluierde vrouwen bepalen het straatbeeld.
Bijvoorbeeld op het piepkleine koraaleiland Ilha de Moçambique, dat in de tiende eeuw na Christus opbloeide als Arabisch handelscentrum voor ivoor, goud en mensen. Toen in 1498 de Portugese ontdekkingsreiziger Vasco da Gama voet aan wal zette en Mozambique een Portugese kolonie werd, brak een nieuw tijdperk aan. De slavenhandel won steeds meer aan belang. Fransen, Portugezen en Arabieren onderhandelden met stammen aan de kust, die op grote schaal slaven uit het binnenland haalden. Hoewel de Portugezen de slavernij in 1842 afschaften, ging de handel op het eiland gewoon door tot 1900. Als herinnering aan deze tijd staan nog overal afgebladderde koloniale gebouwen, waarvan het door onkruid overwoekerde fort van São Sebastião de grootste is. Hier werden slaven maandenlang opgesloten in een piepkleine ruimte zonder ramen, in afwachting van hun boot naar onder andere India. Opstandige slaven en gevangengenomen zwarte piraten werden zonder pardon geëxecuteerd op de binnenplaats. Iets om over na te denken als je elders op het eiland de schitterende maar ernstig vervallen koloniale architectuur bewondert of op de fijne zandstranden ligt.

Verder naar het noorden, aan de kust van Tanzania, ligt het plaatsje Bagamoyo.lon_en_jw.reisreporter.nlGeflankeerd door het turkooizen water van de Indische Oceaan en witte zandstranden, staan net buiten het dorp de overblijfselen van twee moskeeën en graftombes van de middeleeuwse Arabische handelsstad Kaole. In Bagamoyo zelf staat het verweerde Arabische Fort, omgeven door een prachtige tuin met zicht op zee. In dit complex werden in de negentiende eeuw slaven uit het binnenland van Tanzania verzameld voor de korte oversteek naar de plantages en slavenmarkten van Zanzibar, destijds het economische hart van de regio. In dezelfde periode vormde Bagamoyo het vertrekpunt van Europese ontdekkingsreizigers die op zoek waren naar de bron van de Nijl. Onder hen bevond zich David Livingstone, die zo schrok van de aan elkaar geketende mensenmassa’s dat hij Franse missionarissen wist over te halen slaven een schuilplaats te bieden. Aan de kust richtten zij Freedom Town op, de eerste neerzetting van bevrijde slaven in Afrika. Een klein museum licht de geschiedenis hiervan toe. De kerktoren in Bagamoyo werd als eerbetoon aan de ontdekkingsreiziger omgedoopt tot de Livingstone Tower. Toen de Schot in Zambia stierf aan malaria en dysenterie, ondernamen zijn assistenten een helse, negen maanden durende tocht om zijn stoffelijk overschot naar de kerk te dragen. Reeds daarvoor hadden zij zijn hart uitgesneden en eervol begraven. Het was Livingstones wens zijn hart in Afrika achter te laten, net als vele miljoenen Afrikanen – geketend in duisternis gehulde slavenschepen – vóór hem hadden gedaan.


Lees meer over de Slavenhavens in Columbus editie 15, bestel hier!


Foto's: Elmina door selmaschwab.reisreporter.nl, voodoo festival door fischerboxtel.reisreporter.nl en Bagamoyo Fort door lon_en_jw.reisreporter.nl
deel dit artikel met je vrienden:

Reacties van bezoekers Reageer

GK

Door: GK • Geplaatst op

Een tip voor wie meer wil lezen in deze context: " De zwarte met het witte hart" van Arthur Japin. Een prachtige roman waarin de rol die de Nederlanders in de slaverij hebben gespeeld belicht wordt. Het is een verhaal dat op waarheid is gebaseerd, een stukje verborgen geschiedenis waar we zo weinig van weten.

Laat een reactie achter

Meld je aan of log in met je Reisreporter account of met Facebook als je zelf een reactie wilt achterlaten.